Home arrow Sprekersinformatie symposium Chronotherapie

Sprekersinformatie en samenvattingen

Hier vindt u informatie en samenvattingen van de sprekers die aan bod komen tijdens het middagsymposium Chronotherapie Netwerk Nederland op vrijdag 10 juni. 

Is het antidepressieve effect van lichttherapie bij mensen met een depressieve stoornis vergelijkbaar in het lente/zomerseizoen versus het herfst/winterseizoen?

Onderzoekers
drs. E. Ottenheijm, drs. J. Maes, K. van Sambeeck, dr. C. J. P. Simons, drs. L. Rops & Prof. dr. M. Marcelis, GGzE, Eindhoven

Sprekers
Emmy Ottenheijm, AIOS en Jochem Maes, beiden AIOS psychiatrie GGzE

Achtergrond
Lichttherapie is een effectieve behandeling wanneer er sprake is van een seizoensgebonden depressie. Er is toenemend bewijs dat deze behandeling ook effectief is bij een niet seizoensgebonden depressie [1,2]. De effectiviteit van lichttherapie wordt toegeschreven aan het extra stimuleren van lichtgevoelige hersengebieden die stemming beïnvloeden, en het synchroniseren van het circadiaans ritme [3]. In de lente/zomer periode neemt de hoeveelheid natuurlijk licht toe, wat eenzelfde effect zou kunnen hebben als lichttherapie. Echter wordt de tijd die we buiten verblijven steeds korter [4], al helemaal wanneer we ons depressief voelen. Daarom onderzoeken wij wat het effect is van lichttherapie in de lente/zomer vergeleken met de herfst/winter. Daarnaast onderzoeken wij ook de duur van het effect van lichttherapie.

Doel
Het in kaart brengen van het effect van lichttherapie bij volwassenen met een al dan niet seizoensgebonden depressie in de lente/zomer periode en de herfst/winter periode en onderzoeken of deze van elkaar verschillen. En onderzoeken hoe lang het effect van lichttherapie aanhoudt.

Methode
In deze gerandomiseerde controle studie (N > 100) wordt middels de Quick inventory of depressive symptomatology (QIDS-SR) de effectiviteit van de lichttherapie gemeten [11]. De controlegroep start 2 weken later met lichttherapie en dient om het natuurlijk beloop van de depressie te meten. Het effect van lichttherapie zal worden vergeleken tussen het herfst/winter en lente/zomer seizoen. Daarnaast wordt na 6 weken en 3 maanden een nameting (QIDS-SR) uitgevoerd om de duur van het effect in kaart te brengen. Slaap wordt meegenomen als secundaire uitkomstmaat. Het onderzoek loopt van 01-01-2020 t/m 01-09-2022. Dit houdt in dat er 2 lente-zomer periodes en 1 herfst-winter periode geïncludeerd wordt. Dit omwille van minder aanmeldingen in de lente-zomer periode.

Resultaten
Het betreft een lopend onderzoek waarvan de eerste resultaten in de komende maanden verwacht worden.

Voorlopige conclusie
De eerste conclusies worden tijdens het symposium gepresenteerd.

Literatuur
[1] Al-Karawi D, Jubair L. Bright light therapy for non seasonal depression: Meta-analysis of clinical trials. Journal of Affective Disorders. 2016; 198: 64–71.
[2] Geoffroy PA, Schroder CM, Reynaud E, Bourgin P. Efficacy of light therapy versus antidepressant drugs, and of the combination versus monotherapy, in major depressive episodes: A systematic review and meta-analysis. Sleep Medicine Reviews. 2019; 48: 101213.
[3] Rosenthal N, Wehr T. Towards understanding the mechanisms of action of light in seasonal affective disorder. Pharmacopsychiatry. 1992; 25: 56–60.
[4] Baczynska KA, Khazova M, O'Hagan JB. Sun exposure of indoor workers in the UK - survey on the time spent outdoors. Photochem Photobiol Sci. 2019 Jan 1; 18(1): 120-128.

Optimaliseren van kantoor verlichting – kunnen we de chronobiologie kennis vertalen naar het veld?

Onderzoekers
Giméneza M.C., Voorhuis M.b, Beerling Bb., Bollen P.P.a, Peters G.b, Gordijn M.C.M.a,c
aChrono@Work B.V. Groningen; bSparckel, Eindhoven; cRijksuniversiteit Groningen


Spreker
Marina Giménez, PhD, Bioloog, science advisor Chrono@Work


Samenvatting

In onze huidige maatschappij spenderen we het grootste deel van de dag (90%) binnenshuis. Een groot deel daarvan is in kantoren. De aanbevelingen voor kantoorverlichting zijn gebaseerd op visuele aspecten, dus lichtintensiteiten die geschikt zijn om te kunnen zien. Voor niet-visuele aspecten, zoals het bijstellen van de biologische klok, het verbeteren van slaap in de nacht, en het ondersteunen van goede stemming en alertheid zijn de lichtintensiteiten in kantoren vaak te laag. Recentelijk is er een consensus rapport verschenen over de hoeveelheid licht overdag, in de avond en in de nacht waar binnenshuis verlichting minimaal aan zou moeten voldoen voor het ondersteunen van gezondheid. 

In 2019 is een onderzoek uitgevoerd bij kantoorpersoneel waarbij de vraag was of het mogelijk is om met een dynamisch lichtsysteem slaap, stemming, prestaties, herstelvermogen, en alertheid te verbeteren zonder dat het visueel comfort wordt aangetast. 

In een gestratificeerd gerandomiseerd cross-over design werden 44 kantoormedewerkers in twee groepen verdeeld. De eerste groep zat eerst 3 weken bij een nieuw dynamisch lichtsysteem - DYN (Sparckel B.V. Eindhoven) en daarna 3 weken bij de normale kantoorverlichting - CTL, de andere groep onderging de twee condities in omgekeerde volgorde. Elke 1.5 week werden vragenlijsten ingevuld. Gemiddelde lichtintensiteit op het oog gemeten kwam uit op: 860 lux, of in de CIE-eenheid voor niet-visuele effecten 575 melanopic EDI lux (DYN) tegen 355 lux – 215 melanopic EDI lux in de CTL conditie.

Gedurende de 3 weken in de DYN conditie verbeterde slaapkwaliteit en het subjectief gevoel van presteren over tijd in de DYN conditie vergeleken met de CTL-conditie. Overige parameters van alertheid, herstelbehoefte, en stemming vertoonden kleine verschillen tussen de DYN en CTL-conditie in de richting van een verbetering onder DYN licht, maar dit was niet significant. Het kantoorpersoneel was significant meer tevreden over de DYN verlichting op de werkplek dan over de CTL-verlichting, 75% was tevreden met de DYN verlichting vergeleken met 37% met de CTL-verlichting. Er was geen significant verschil in de ervaring van hinder door de verlichting. Op de vraag welke verlichting men aanraadt, koos 71% voor de DYN verlichting tegenover 25% voor de CTL-verlichting.

Met het in acht nemen van  de tekortkomingen van deze veldstudie (kleine groepsgrootte, relatief korte duur van de studie, en uitval door ziekte etc.) kan geconcludeerd worden dat het mogelijk is om kantoorverlichting te optimaliseren met betrekking tot lichtintensiteit en spectrum en dat dit positieve effecten kan hebben op functioneren overdag en slaap ’s nachts. Meer onderzoek met grotere groepen en langere blootstelling moet meer inzicht geven in de optimale parameters van de verlichting en de te behalen gezondheidseffecten.

  1. Brown TM, Brainard GC, Cajochen C, Czeisler CA, Hanifin JP, et al. (2022) Recommendations for daytime, evening, and nighttime indoor light exposure to best support physiology, sleep, and wakefulness in healthy adults. PLOS Biology 20(3): e3001571. https://doi.org/10.1371/journa...
Lichttherapie voor vermoeidheid bij kanker

Spreker
Daniëlle Starreveld, PhD, psycholoog en onderzoeker

Samenvatting
Afgelopen jaar presenteerden we de resultaten van de SPARKLE-studie. Op basis van deze resultaten kunnen we niet vaststellen dat lichttherapie helpt om vermoeidheid na kanker te verminderen. In deze presentatie zal een overzicht gegeven worden van de huidige publicaties over lichttherapie binnen de (na)zorg voor kanker. Sinds de start van de SPARKLE-studie zijn er 13 publicaties verschenen die het effect van lichttherapie in populaties met kanker beschrijven. Dit is onder te verdelen in overlevenden van kanker met chronische vermoeidheid (5 studies), overlevenden van kanker met andere symptomen (3 studies) en patiënten met kanker die momenteel een behandeling ontvangen (5 studies). De studies bij overlevenden van kanker laten zien dat er vaak een klinisch relevante vermindering van vermoeidheid te zien is in zowel de interventie als de controle conditie. Studies naar lichttherapie bij patiënten met kanker zijn veelbelovender en tonen aan dat het gebruik van lichttherapie tijdens de behandeling zorgt voor een vermindering van vermoeidheid. Desondanks moet er wel opgemerkt worden dat er methodologische beperkingen zijn in deze studies en replicatie in gerandomiseerde klinische studies nodig is voordat lichttherapie geïmplementeerd kan worden in de zorg.

Lichttherapie bij overgangsklachten bij vrouwen met vervroegde menopauze 

Authors
G. Jiskoot12, J.S.E Laven1, Y. Louwers1


Spreker
Geranne Jiskoot, PhD, psycholoog en post-doc onderzoeker, Erasmus MC, afdeling Voortplantingsgeneeskunde   


Affiliations
(1) Dept. of Reproductive Medicine, Erasmus MC, Rotterdam, The Netherlands

(2) Dept. of Medical Psychology and Psychotherapy, Erasmus MC, Rotterdam, The Netherlands.


Samenvatting
Premature ovariële insufficiëntie (POI) wordt gedefinieerd als het verlies van de ovariële functie vóór de leeftijd van 40 jaar. Ongeveer 1 op 10000 vrouwen in de leeftijd van 18-25 jaar, 1 op 1000 in de leeftijd van 25-30 jaar en 1 op 100 in de leeftijdsgroep van 35-40 jaar worden geconfronteerd met POI. Het merendeel van de vrouwen met POI heeft last van opvliegers, nachtelijk zweten, slapeloosheid, depressie, angst, vaginale droogheid, dyspareunie en een verminderd libido. Gevolgen voor de gezondheid op de lange termijn zijn onder meer: een toename van hart- en vaatziekten (CVD), lipidenstoornissen, verminderde botmineraaldichtheid (BMD), osteoporose, onvruchtbaarheid, psychologische problemen, vulvovaginale atrofie, seksuele disfunctie, neurologische effecten en een algemeen verminderde levensverwachting. De primaire basis van de POI-behandeling is hormoon replacement therapie (HRT) om het serum oestrogeenniveau te herstellen. Echter, niet alle vrouwen met POI mogen HRT gebruiken, vooral na hormonale borstkanker.

We zijn bezig met het ontwerpen van een proof of concept studie om te onderzoeken wat de effecten zijn van bright light therapy bij vrouwen met POI op mate van overgangsklachten, somberheid en slaapkwaliteit. Hierbij willen we ook onderzoeken hoe patiënten de toepassing ervaren. Hierbij kunnen zij kiezen uit de therapie via de Propeaq basic bril of de Philips Energylight HF3319/01.

Circadiane ritmestoornissen in de psychiatrie. 

Spreker
Teus Mijnster, psycholoog en promovendus Expertisecentrum Slaap en Psychiatrie

Teus Mijnster is afgestudeerd in medische psychologie/ methoden en statistiek en is werkzaam als psycholoog en promovendus bij het vroegdetectie onderzoek naar slaap en psychiatrie bij GGZ Drenthe. 


Samenvatting
Circadiane ritmestoornissen komen veelvuldig voor binnen psychiatrische patiënten, maar worden net als andere slaapstoornissen vaak laat of niet herkend en behandeld. In deze presentatie wordt een screeningsinstrument waarbij ook voor circadiane ritmestoornissen wordt gescreend toegelicht, de Holland Sleep Disorders Questionnaire (HSDQ). Hierbij gaan we in op de factorstructuur van de HSDQ en hoe accuraat deze circadiane ritmestoornissen kan detecteren. Uiteindelijk zullen we de prevalentie van circadiane ritmestoornissen binnen ambulante psychiatrische patiënten behandelen. Bij al deze punten wordt ook de vergelijking met de algemene Nederlandse populatie gemaakt. 

Insomnie behandeling ter preventie van depressie. 

Spreker
Joyce Reesen, PhD onderzoek Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen


Samenvatting
Preventie van depressie is essentieel om de globale ziektelast van deze stoornis te bestrijden. Insomnie behandeling in individuen die risico lopen een depressie te ontwikkelen, zoals recent gevonden insomnie subtypen, zou een effectieve strategie kunnen zijn om depressie te kunnen voorkomen. Eerdere studies gebruikten geautomatiseerde eHealth interventies, maar de bevindingen van deze studies zijn moeilijk te interpreteren door hoge drop-out.

In de huidige gerandomiseerde trial onderzoeken we of de verergering van depressie symptomen te voorkomen is in insomnie subtypen met een hoog risico op depressie, door het aanbieden van internet cognitieve gedragstherapie voor insomnie (CGT-I), choronobiologische interventies (CI), of een combinatie van deze interventies (CGT-I+CI) onder begeleiding van een online therapeut. Deelnemers met een insomnie subtype met hoog risico voor depressie (N=132) werden gerandomiseerd tot 6 weken CBT-I, CI, CGT-I+CI, of geen behandeling. De Inventory of Depressive Symptomatology (IDS-SR) vragenlijst werd afgenomen op baseline en op 4 vervolgmetingen gedurende één jaar. 

Zonder behandeling verergerden inderdaad de depressieve symptomen gedurende 4 de vervolgmetingen bij deze hoog-risico insomnianten (d=0.3, p=0.041). Therapeut-begeleide online CGT-I of CGT-I+CI verlaagde de IDS-SR score over alle 4 de vervolgmetingen (CGT-I d=-0.8, p=0.001; CGT-I+CI d=-1.0, p<0.001). Alhoewel CI opzichzelfstaand ineffectief bleek, lijkt de toevoeging van CI aan CGT-I de lange-termijn stemmingsverbeteringen te versterken op 9 en 12 maanden (respectievelijk d=-1.3, p=0.001; d=-0.7, p<0.012). Studie drop-out tijdens de therapeut-begeleide interventies was laag (8%), vergeleken met de volautomatische interventies van eerdere studies (57-62%). 

Therapeut-begeleide online CGT-I kan nuttig zijn om de verergering van depressieve symptomen te voorkomen bij insomnie subtypen die een hoog risico hebben om een depressie te ontwikkelen. De begeleiding van een onlinetherapeut tijdens Ehealth interventies kan helpen om drop-out te beperken. Zorginstanties en overheid preventieprogramma’s zouden therapeut-begeleide online insomnie interventies kunnen overwegen als een effectieve schaalbare interventie om de verergering van depressieve symptomen te voorkomen.

Het gebruik van circadiane markers als voorspeller van effect in de behandeling van depressie – een systematische review

Onderzoekers
Stella J.M. Druiven1,2, Johanna H.M.Hovenkamp‐Hermelink1, Benno C.M. Haarman2, Jeanine Kamphuis2, Ybe Meesters2, Harriëtte Riese1,2, Robert A. Schoevers1,2

1Department of Psychiatry, Interdisciplinary Center Psychopathology and Emotion regulation (ICPE), University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, The Netherlands 
2Department of Psychiatry, Research School of Behavioral and Cognitive Neurosciences (BCN), University Medical Center Groningen, University of Groningen, Groningen, The Netherlands


Spreker
Stella Druiven, MD-PhD student, Universitair Centrum Psychiatrie, UMCG


Achtergrond
Variaties in het circadiane ritme zijn geassocieerd met het hebben van een depressieve stoornis en met het niveau van depressieve symptomen. Ook is er bewijs dat markers van het circadiane ritme voorspellend kunnen zijn voor het effect van een antidepressieve behandeling. Het implementeren van deze markers in de kliniek zou kunnen helpen om behandeling op een meer individueel niveau te kunnen bieden aan patiënten. In deze systematische review zal een overzicht gegeven worden van het onderzoek wat op dit gebied is gepubliceerd. Daarmee geeft het inzicht in het huidige bewijs voor het gebruik van circadiane markers voor het voorspellen van effect van een antidepressieve behandeling. 


Methode
Meerdere databases zijn gebruikt voor het zoeken van originele onderzoeksartikelen, randomized control trials en case report/series (EMBASE, PUBMED, PSYCHINFO). Andere zoekcriteria waren dat het onderzoek het effect van een antidepressieve behandeling moest hebben onderzocht, het effect moest gemeten zijn aan de hand van het niveau van depressieve symptomen en/of het bestaan van een klinische diagnose van een depressieve stoornis. Daarbij moest een marker van het circadiane ritme zijn gemeten op baseline.  


Resultaten
Met de zoekopdracht zijn van de in totaal 3980 artikelen uiteindelijk 42 geschikte artikelen geselecteerd voor de review. 


Discussie/conclusie
De discussie en conclusie van de deze systematische review zijn nog niet afgerond, maar zullen worden gepresenteerd tijdens het symposium.

Proefschrift overzicht: het verband tussen slecht slapen en agressie

Spreker
Maaike van Veen, psychiater en promovenda Expertisecentrum Slaap en Psychiatrie


Samenvatting
Eerder onderzoek toont aan dat slecht slapen in verband staat met emotionele dysregulatie en agressief gedrag. In dit promotieonderzoek wordt deze associatie tussen slecht slapen en agressie bevestigd en verder verfijnd door exploratie van de beïnvloeding door andere factoren en de associatie over tijd. Hierbij worden gegevens geanalyseerd over slaapkwaliteit, algemene psychopathologie en agressie uit een prospectief observationeel onderzoek onder forensisch psychiatrisch patiënten. 

Daarnaast is een gestructureerde synthese van beschikbare observationele en experimentele studies op dit gebied gemaakt, resulterend in twee systematische reviews en meta-analyses naar slaapkwaliteit en slaapduur in relatie tot agressie in uiteenlopende populaties. 

Tijdens de voordracht zullen de resultaten van bovengenoemde onderzoeken worden besproken, met aandacht voor lacunes betreffende chronobiologische aspecten van deze associatie en de implicaties voor behandeling en vervolgonderzoek.


Referenties

  • Van Veen MM, Lancel M, Sener O, Verkes RJ, Bouman E, Rutters F. Observational and experimental studies on sleep duration and aggression: a systematic review and meta-analysis. Submitted to Sleep medicine reviews (Jan 2022).
  • Van Veen MM, Lancel M, Beijer E, Remmelzwaal S, Rutters F. The association of sleep quality and aggression: a systematic review and meta-analysis of observational studies. Sleep medicine reviews. 2021 May 12:101500.
  • Van Veen MM, Rutters F, Spreen M, Lancel M. Poor sleep quality at baseline is associated with increased aggression over one year in forensic psychiatric patients. Sleep Med 2020, 67: 1-6. doi: 10.1016/j.sleep.2019.11.1183.
  • Van Veen MM, Karsten J, Verkes RJ, Lancel M. Sleep quality is associated with aggression in forensic psychiatric patients, independent of general psychopathology. The Journal of Forensic Psychiatry & Psychology 2020, 31:5: 699-713. doi: 10.1080/14789949.2020.1785526.
  • Van Veen MM, Karsten J, Lancel M. Poor sleep and its relation to impulsivity in patients with antisocial or borderline personality disorders. Behav Med 2017, 43(3):218-226. doi: 10.1080/08964289.2017.1313719


Curriculum Vitae
Maaike van Veen is psychiater bij het Expertisecentrum Slaap en Psychiatrie van GGZ Drenthe en heeft zich de afgelopen jaren gespecialiseerd in diagnostiek en behandeling van slaapstoornissen en psychiatrische aandoeningen. Zij geeft regelmatig lezingen over dit onderwerp. 

Daarnaast is zij epidemioloog en in de afrondende fase van een promotieonderzoek naar de relatie tussen slaap en agressief gedrag, in het bijzonder bij forensisch psychiatrische patiënten.


Haar interessegebieden zijn verder: de relatie tussen slaap en cardiometabole aandoeningen bij mensen met psychiatrische aandoeningen; (farmacologische) behandeling van insomnie; slaapapneu in de psychiatrie; verstoorde slaap bij PTSS en slaapstoornissen rondom de menopauze. 


Vanaf 2020 is Maaike lid van de commissie wetenschappelijke activiteiten van de Nederlandse Vereniging voor Slaap-Waak Onderzoek.